Eigenlijk is Robert Johnson weinig meer dan een naam op vergeelde indexkaartjes en een paar stoffige masters in het archief van een gramofoonproducent die al lang niet meer bestaat. Maar ook een country blueszanger (1) uit de Mississippi Delta die andere goden als Son House, Charlie Patton, Booker White, Muddy Waters en John Lee Hooker voortbracht. Robert Johnson dook op en verdween net zoals een stuk krantenpapier dat door de wind bespeeld wordt. Eerst werd hij naar een belabberde opnamestudio in een hotelkamer in San Antonio gebracht, een jaar later nam hij terug een reeks songs op, deze keer ergens achterin een kantoortje in Dallas. Dan verdween hij plots, dood nog voor hij zijn 21ste verjaardag zou vieren, vergiftigd door een jaloers vriendinnetje.
Robert Johnson zong een erg primitieve vorm van de blues, bijna uitsluitend over vrouwen. Zijn vertels waren steeds heel erg aards, hij zong over het leven dat hij leidde en wat uiteindelijk ook zijn dood zou betekenen. In het zelfde rijtje hebben we ook Sonny Boy Williamson, die neergestoken werd met een ijspegel, of Charlie Christian, Bix Beiderbecke, Jimmy Blanton, Billie Holiday, Fats Waller en menig andere onsterfelijke monumenten uit de jazz die te vroeg heengegaan zijn. Stuk voor stuk was hun dood te wijten aan een tekort aan slaap en eten, omdat hun lichaam de fysieke uitdaging van hun muziekcarrière niet aankon of, nog vaker, omdat ze zwart waren en dus niet op degelijke medische zorg konden rekenen.
Robert Johnson was al een legende in 1938, wanneer John Hammond zijn Spirituals To Swing-concert aan het voorbereiden was ter voorstelling in de Carnegie Hall. Er vast van overtuigd dat Johnson de grootste primitieve blueszanger ooit was, trok Hammond naar het Zuiden om zijn opnames van Terraplane Blues en Last Fair Deal Gone (de zogenaamde ‘race records’ (2) werden toenertijd alleen in het Zuiden verkocht) te kopen. Hammond wilde ook dat Johnson in zijn show zou komen optreden. Om Johnson te vinden, lijfde Hammond ene Don Law in, een A&R-man van de American Record Corporation die nog met Johnson had opgenomen in 1936 en 1937. Law doorzocht het hele zogenaamde Deep South naar Johnson, maar kwam enkele weken voor het geplande concert te horen dat de man jammerlijk vermoord werd.
Johnson’s opnames werden collectors’ items van zodra ze gereleased werden. De oplage bleef beperkt en slechts één, Terraplane Blues, verkocht redelijk goed (maar dan alleen in The Deep South).
De enorme moeite die ’s werelds meest gerenomeerde bluesspecialisten deden om het leven, de carrière en substantiële details van het leven van Robert Johnson te traceren, bracht maar weinig op. Sam Charters schrijft in zijn boek The Country Blues (uit 1959) dat Johnson een jaar of dertig moet geweest zijn wanneer hij zijn songs opnam. Als bron citeert hij Muddy Waters, die Johnson nooit ontmoette of zelfs maar gezien heeft, en Will Shade van The Memphis Jug Band, die hem slechts één keer aan het werk zag in 1937. Don Law, die dus wel degelijk met Johnson had opgenomen, meent dat hij een jaar of 17-18 moet geweest zijn. Totdat hij de studio zou induiken was Robert Johnson zelden, of zelfs nooit, van de plantage in Robinsville, Mississippi waar hij werd geboren, weggeweest. ARC-verkoper Ernie Oertle, die van Johnson gehoord had, bracht hem vers van de plantage geplukt naar Law. Die laatste herinnert zich Johnson als een magere, knappe man met mooie handen en een waanzinnig talent om te improviseren terwijl hij gitaar speelde of zong.
Law meent ook dat Johnson een extreem schuchtere jonge man was. Hij vroeg hem om voor een groepje Mexicaanse muzikanten te spelen die samen zaten in de hotelkamer waar het opnamemateriaal was opgesteld. Verlegen en lijdend aan een zwaar aanval van plankenkoorts, keerde Johnson zich met zijn gezicht naar de muur en zijn rug naar de Mexicanen. Uiteindelijk kwam hij voldoende tot rust om zijn muziek te kunnen spelen, maar keek zijn publiek nooit in de ogen.
Robert Johnson kwam vijf keer langs in de ARC Field-studios. Gedurende deze vijf sessies (drie in november 1936, twee in juni 1937) nam hij een totaal van 29 kanten op. Hij kreeg daar enkele honderden dollars voor in de plaats wat, ten tijde van de depressie in Mississippi, grof geld was.
Hoewel er heel weinig bekend is over Johnson valt uit alles af te leiden dat hij, naast muziek, een liefde koesterde voor vrouwen en wijn. Dat mag blijken uit zijn eerste trip naar San Antonio. Als plattelandsjongen in een gemiddeld grote stad, kwam Johnson al in de problemen slechts enkele uren na zijn aankomst. Don Law achtte zichzelf verantwoordelijk voor Johnson, zocht hem een kamertje uit in een klein hotel en zei hem wat te slapen opdat hij klaar zou zijn voor de opnames de volgende ochtend. Law sloot zich dan aan bij zijn vrouw en enkele vrienden om te gaan dineren in het Gunter Hotel. Hij had nog maar de eerste hap in zijn mond gepropt wanneer hij naar de telefoon geroepen werd. Een politieagent belde vanuit de gevangenis. Johnson was opgepakt wegens illegaal ‘busken’(straatmuzikant). Law haastte zijn skinny white ass richting gevangenis en vond Johnson daar totaal bijeengeslagen terug, zijn gitaar kapotgesmakt; de agenten hadden hem niet alleen opgepakt maar ook wat bewerkt. Met moeite kreeg Law Johnson vrij, leidde hem terug naar dat kleine hotel, gaf hem vijfenveertig cent voor het ontbijt en gebood hem daar te blijven tot morgenochtend.
Law keerde terug naar zijn diner maar werd algauw opnieuw aan de telefoon gevraagd. Deze keer Johnson zelf. Met bevende stem vroeg Law: “What’s the matter now?” Johnson antwoordde: “I’m Lonesome.” Helemaal in de war vroeg Law, “You’re lonesome? What do you mean, you’re lonesome?” Johnson antwoordde: “I’m lonesome and there’s a lady here. She wants fifty cents and I lacks a nickel…” Of hoe voor een bluesman vrouwen simpelweg voor het ontbijt komen.
Een andere vrouw bleek dan weer de nagel aan Johnson’s doodskist te zijn. Misschien was het wel een van die dames die hij vermeld in een of ander bluesrefrein maar het is zonder twijfel dat Johnson stierf aan vergiftiging hem toegediend door een onbekende vrouw. Hij liet alleen zijn songs na om te vertellen over de gevaren in zijn leven, de angsten die hem opjaagden en de weinige dingen die hij van het leven verwachtte.
(1) Het onderscheid tussen country bluesmannen en hun stedelijke tegenhangers komt vooral voort uit de begeleiding: country blues wordt bijna uitsluitend door een enkele gitaar begeleid of een ander semi-legitiem instrument als de kazoo, harmonica, jugdrums, trekfluitjes, whasboards en washtub bass. De mannen van de city blues werden meestal bijgestaan door piano, gitaar en bas, drums en occasioneel een of ander brass instrument. De stijl van de country blues is meestal primitiever en directer dan die van een city bluesman.
(2) Het is belangrijk het onderscheid te maken tussen race records (die bijna uitsluitend aan een zwart publiek werden verkocht in het Zuiden) en pop of populaire platen die over het hele land werden verdeeld onder een vooral blank publiek. Race records waren moeilijk, of gewoon niet, te vinden in de Noordelijke stedelijke buurten zoals Harlem en de South Side in Chicago. Honderen obscure zwarten maakten albums in de jaren ’30 en de gemiddelde oplage lag rond enkele duizenden, of zelfs maar honderden. Een album dat vijf of tienduizend keer verkocht werd, was zonder twijfel een gigantische hit.