Robert Johnson op de Crossroads PDF Afdrukken E-mail
Artikel
door PJ Symons   
vrijdag 19 november 2010 08:22

Bestaat de duivel? Uiteraard is hier het enige logische antwoord op. Uiteraard want hoe kon Robert Johnson anders Crossroad Blues uit zijn al gepijnigde ziel wringen? Hoe anders verklaar je de griezelig oprechte angst voor Beelzebub uit zoveel andere bluesstandaarden? Het bestaan van een god kan en moet op alle mogelijke niveaus in twijfel getrokken worden, maar de duivel bestaat. En Robert Johnson verkocht hem zijn ziel op de Crossroads.

 


Robert Johnson had net enkele kroegen onveilig gemaakt in Yazoo City en Beulah met zijn op dat moment nog erg rurale blues en was op weg naar het dorpje Helena. Wandelend over de stoffige snelweg, gitaarkist in zijn rechterhand, knapzak over zijn linkerschouder. Het was oktober, en een koude, donkere nacht slechts verlicht door een volle maan. Johnson dacht aan Son House die hem had aangeraden zijn gitaar te laten voor het was en dat hij terug de katoenvelden in moest, Son House zag geen talent in Johnson. Het maakte dat Johnson nog meer dan anders zin had in whisky en vrouwen en zelfdestructie. Een ijzige wind waaide door de bomen langsheen de lange en lege zandweg en een gewonde hond in de greppel naast de weg huilde zo huiveringwekkend dat er een rilling over Johnson’s ruggengraat liep. Hij trekt zijn sjofele vest dicht en lijkt plots aan de grond genageld. Op dat kruispunt net ten zuiden van Rosedale zit er een man op een houtblolk. “Je bent laat, Robert Johnson,” zei hij. Johnson valt op z’n knieën: “Misschien ben ik net op tijd.”

 

Robert Johnson 

 

De man staat recht, hij is groot, fors gebouwd en al even zwart als de voorgoed gesloten ogen van Robert Johnson’s doodgeboren baby. Hij wandelt naar het midden van het kruispunt waar Johnson zit, met z’n knieën in de modder. “Sta recht, Robert Johnson,” zegt hij. “Wil je die gitaar daar bij het straatvuil en die lelijke hond werpen en terug naar Robinsonville gaan om harmonica te spelen met Willie Brown en Son, want je bent een gitarist van dertien in een dozijn. Of wil je gitaarspelen zoals niemand dat ooit deed? Een geluid produceren waar niemand zelfs maar aan durfde denken? Wil je de koning van de Delta Blues worden en dat er zoveel whisky en vrouwen als je je maar kan inbeelden in je schoot geworpen worden?”

“Dat zijn heel wat vrouwen en whisky, Devil-man,” repliceerde Johnson.


Johson voelt het maanlicht versterken, alsof de maan groter wordt. Het voelt aan als een warme, uitputtende middagzon en het steeds schellere gehuil van de hond penetreert zijn ziel, dringt binnen langs de tippen van zijn tenen en zet door tot de nagelranden van zijn vingers, de vaatjes van zijn zwarte kroezelhaar. “Die hond is gek geworden,” zegt Johnson.

De man lacht: “Die hond behoort mij toe. Hij is niet gek, hij heeft de Blues. Ik heb zijn ziel in mijn handpalm.”

De hond slaakt een lage, lange soulvolle kreet, het soort huilen dat Johnson nog nooit gehoord had. Een diepe grunt die ritmisch blaft en er zelfs voor zorgt dat de snaren van Johnson’s gitaar gaan trillen en zingen. Donkere, treurige, prachtige maar hartverscheurende akkoorden nemen het bezit van Johnson waardoor hij zichzelf gaat verliezen. Hij zweeft. Johnson kijkt naar de greppel en ziet hoe de ogen van de hond het briljante maanlicht reflecteren, of, en dat lijkt hem logischer, hoe die ogen zelf licht geven, een diep paarse gloed. Johnson weet en voelt dat hij in de ogen van een hellehond kijkt terwijl zijn lichaam van boven tot onder trilt.


“Die hond is niet te koop, Robert Johnson, maar het geluid kan het jouwe worden. Dat geluid, is de Delta Blues,” zegt de man.

“Ik moét dat geluid hebben, Devil-man. Dat geluid moet het mijne worden. Waar moet ik tekenen?”

De man zegt: “Potlood noch pen zijn geschikt om dit pact te tekenen. Ik neem je op je woord. Het enige wat je moet doen is noordwaarts blijven wandelen. Maar wees gewaarschuwd Robert Johnson: er zijn gevolgen aan verbonden.”

“Welke gevolgen, Devil-man?”

“Weet je waar je bent, Robert Johnson? Je staat temidden een kruispunt. Om middernacht, met de volle maan op je hoofd. Als je nog een stap neemt sta je in Rosedale. Neem je de weg oostwaarts, ga je terug richting Cleveland via Higwhay 61, of je kan westwaarts richting Beulah trekken om van op de dijk naar de rivier te kijken. Maar als je nog een stap neemt in je oorspronkelijke richting, ga je naar Rosedale begeleid door deze volle maan, en zal je de Blues vinden die niemand ooit gekend heeft in deze wereld. Mijn linkerhand zal voor eeuwig rond je ziel gesloten zitten maar je muziek zal iedereen die het hoort in een machtsgreep houden. Dat is wat zal gebeuren. Dat is waar je voor gewaarschuwd wordt. Je ziel zal de mijne zijn. Dit is niet zomaar een kruispunt, ik wachtte je hier op.”


Johnson draait even met z’n hoofd, kijkt naar alle windrichtingen, weegt zijn opties af maar wordt aangetrokken door de maan die ondertussen heel de Delta-nacht is gaan opvullen. Hij kijkt de grote man recht in de ogen en zegt, “Stap achteruit, Devil-man, ik ga naar Rosedale. Ik bén de Blues.”

De man neemt een stap opzij en zegt, “ga dan, Robert Johnson. Je bent de koning van de Delta Blues. Ga naar Rosedale. En wanneer je daar aankomt, bestel je een groot bord warme tamales. Want waar je heen gaat, zal je een stevige fond nodig hebben.”

 

 

© 2009 - 2010 cultusonline

Meer artikels:
Interviews
Albumreviews
Concertrecensies
Filmreviews
DVDreviews
Filmartikels
Muziekartikels
Flashback
Meer film: