The Beatles worden overschat, Hendrix was een knoeier en klassieke muziek is stom PDF Afdrukken E-mail
Artikel
door Administrator   
zondag 08 juni 2014 22:49
Het komt er eigenlijk op neer dat je beter je best moet doen. 
mm

Wanneer ik op dertienjarige leeftijd voor het eerst Jimi Hendrix hoorde snapte ik er niks van. Ik was op dat moment helemaal gek van Iron Maiden en Judas Priest en kon niet begrijpen wat Hendrix zo bijzonder maakte. Zo zag ik als jonge tiener ook helemaal niks in de Beatles. Ik vond het allemaal maar ultra-light en wollig klinken en het zag er met die slakomkapsels ook nog eens lachwekkend uit. En zelfs later in mijn tienerjaren kon ik kop noch staart maken van waarom Dylan zo geniaal bevonden werd. Ik snapte het gewoon echt niet. 

En klassiek? Tot minder lang geleden dan ik ooit zal toegeven horde ik steeds Cartman van South Park in mijn oor fluisteren: “Dude, that is soooo gay…

De laatste tijd heb ik echter enorm interessante discussies gehad met een bevriende muzikant die opgroeide met klassieke muziek, afstudeerde aan het conservatorium en pop en rock muziek pas heel erg laat ontdekt heeft. Pas heel recent is hij in het werk van Led Zeppelin en Radiohead gedoken. Een queeste die ik van dichtbij probeer te volgen omdat het interessant is hoe zijn appreciatie dan wel ergernis tegenover die muziek grotendeels gebaseerd is op de puur muzikale aspecten van de songs. Zoals bijvoorbeeld de wat vreemde timing van Radiohead’s frasering. Of de soms bruuske uithalen van Jimmy Page (die hem eigenlijk op de zenuwen werken). 

Het zorgde al voor enkele hoogst geanimeerde conversaties over de puur muzikale merites van de artiest en zijn werk. Veelal werd mijn appreciatie voor de muzikanten zelfs nog groter – zeker wanneer ik wat dieper ging graven dan gewoonlijk. Maar wat me misschien nog het meest is bijgebleven van die gesprekken is het belang van het spreekwoordelijk dragen van een ‘culturele bril’ (zoals mijn vriend dat noemt) om je echt helemaal middenin de muziek te kunnen begeven. Om het te voelen. Om je helemaal in te leven in de energie die uit de boxen gespat moest hebben wanneer Led Zeppelin/Black Sabbath/Radiohead zichzelf voor de allereerste keer aan het publiek voorstelden, de allereerste keer dat ze de ether in gingen. 

Door wat insloeg als een soort aha-erlebnis heeft mijn vriend me dus gewezen op een belangrijke realiteit voor elke muziekliefhebber: je inleven in de culturele en sociale context is van essentieel belang om eender welke soort muziek écht te begrijpen. Het lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het eigenlijk niet. In een luistertrip stappen met als enige voorkennis dat ze zowat de allereerste punkgroep waren is lang niet genoeg om The Sex Pistols naar waarde te kunnen schatten. 

Uiteraard kan je muziek ook analyseren op basis van eender welke andere standaard en net zo goed zijn grootsheid of schoonheid appreciëren. Tijdens de betere lessen muziekgeschiedenis kan men je een duidelijk inzicht bieden in waarom Beethoven’s symfonieën meesterwerken zijn, geen enkele geestelijk gezonde luisteraar zal ooit beweren dat die werken simplistisch of inferieur zijn. Of dat de fysieke vaardigheden van Buddy Rich zo ontegensprekelijk spectaculair zijn dat zelfs niet-drummers het weten te appreciëren. 

Maar hoe pak je Dylan dan aan? Was hij een indrukwekkend zanger? Nee. Waren zijn lyrics beter dan de teksten van Shakespeare of Keats? Natuurlijk niet. Je kan niet ontkennen dat Dylan talloze meesterwerken heeft geschreven maar je kan hem pas echt begrijpen en naar waarde schatten als je zijn werk beluistert vanuit de spirit van de tijd waarin hij zijn respectievelijke platen heeft geschreven. Ik legde mijn worstelen met Dylan ooit eens voor aan een bevriende muziekfan die mijn vader zou kunnen zijn (hij was er eind jaren ’60 – begin ’70 dus bij) en zijn antwoord was: “Je had er toen bij moeten zijn. Het was voor ieder van ons een revelatie dat muziek ook over belangrijke zaken mocht gaan.” 

En wat dan met de Beatles? Waren hun harmonieën en akkoordenschema’s de meest gecompliceerde die de Westerse muziek ooit had voortgebracht? Neen. Precies daarom werden ze aanvankelijk door de muzikale elite uitgelachen en afgedaan als een geintje dat geen lang leven beschoren zou zijn. Hoewel ze mettertijd uitgroeiden tot grootse artiesten moet je opnieuw het fenomeen dat de Beatles waren bekijken vanuit de context van de tijd. Elvis was irrelevant geworden. Kennedy was dood. En in tegenstelling tot hun ouders kon de jeugd niet geënthousiasmeerd worden met de belofte van een fatsoenlijke job en een huisje met een tuintje in de suburbs. Ze waren op zoek naar méér. De Beatles gaven hen méér. 

Wat dit alles bovendien nog interessanter maakt is dat je de kwaliteit van de muziek niet geminimaliseerd kan worden door simpelweg te stellen dat het een product van zijn tijd was. Ik bedoel, je moeilijk argumenteren dat Come Together een slecht geschreven song is, of zeggen dat Hendrix niet zo’n goeie gitarist was. Zijn gitaar mocht dan hier en daar wat vals klinken, de momenten dat hij er pal opzat blijven ongeëvenaard. Al die muziek/songs/platen die algemeen als klassiekers worden beschouwd zijn grotendeels objectief gezien erg goed, toch is het pas wanneer je je helemaal weet onder te dompelen in de spirit van die muziek dat je een hogere level van begrip en appreciatie zal ontdekken.

Want wat is doet muziek uiteindelijk vooral? Het communiceert. Het raakt. Het maakt dat we gaan voelen, uitgedaagd worden, hoopvol zijn. Het communiceert iets menselijk en soms zelfs iets spiritueels dat onmogelijk adequaat in woorden gegoten kan worden. En ondanks dat men dus wel een muzikale analyse kan maken van waarom een bepaald akkoordenschema innovatief was of wanneer een gitaartoon voor het eerst doorbrak, niks komt duidelijker over dan het enthousiasme dat je haalt uit het simpelweg snappen van de muziek. Door je vooringenomenheid overboord te gooien en ernaar te luisteren zoals men er voor het eerst naar luisterde in 1975, 1964 of 1730. Niet vanzelfsprekend maar het loont de moeite. 

Bijvoorbeeld klassieke muziek. Het deed me vooral denken aan gezapige liefdesscènes uit zwart-wit-films en reclamespots voor shampoo. Zo elitair, ook. Maar dan hoorde ik een Fuga van Bach – ik kan me helaas niet meer precies herinneren welke dat was – en het greep me gewoon helemaal aan. Het was intens. Ik bedoel, érg intens. Van daaruit hoefde ik me nauwelijks veel verder te verdiepen om het volledig te begrijpen dat de complexiteit, uitgebreidheid en intensiteit redenen genoeg zijn voor de miljoenen universitaire onderzoekers die de muziek hun hele leven lang bestuderen. Een expert zou ik mezelf lang niet noemen maar mijn band met klassiek gaat toch verder dan alleen maar basiskennis. Ik betrap me er zelfs op dat ik thuis steeds vaker klassieke muziek opzet. Behalve wanneer ik aan het poetsen ben. Dan is het Slayer of niks.    

Ik beeld me ook in dat die klassieke componisten de rebellen, rockers en pioniers van hun tijd waren. Paganini werd er van beschuldigd bezeten te zijn door satan omdat hij wel een losgeslagen freak leek wanneer hij viool speelde. Zelfs de brave en godsvruchtige J.S. Bach werd constant tegengewerkt door de clerus. Zij wilden natuurlijk dat hij elke keer weer de bisronde afsloot met Creep terwijl Bach natuurlijk dacht: “Komaan… Beluister mijn nieuwe plaat ook eens. Ze heet King of Limbs.” Rebel. 


Dus, het komt er eigenlijk op neer dat wanneer je iets beluistert dat je maar niet lijkt te kunnen snappen, je eigenlijk gewoon dieper moet graven naar dat hele kleine speciale plekje binnen jezelf dat het toestaat om je helemaal in de muziek in te leven. 

 

© 2009 - 2010 cultusonline

Meer artikels:
Interviews
Albumreviews
Concertrecensies
Filmreviews
DVDreviews
Filmartikels
Muziekartikels
Flashback
Meer film: