|
De Oostenrijkse auteur Thomas Bernhard schreef in de jaren ’80 een trilogie over de kunsten. Der Untergeher over de pianist Glenn Gould, Alte Meister over de schilderkunst en Holzfällen over het theater. Na de alleenspraak Oude Meesters vond tg STAN het tijd voor een nieuwe monoloog. Met Brandhout. Een irritatie brengt het theatergezelschap een verwerking van het stuk Holzfällen. Eine Erregung.
In deze roman observeert de verteller tijdens een etentje een groepje kunstzinnige mensen. Zij wachten vol ongeduld op de hoogste genodigde, een bekend toneelacteur die na zijn opvoering van De Wilde Eend zou langskomen. De voortdurende kritiek van Bernhard op zijn vaderland en zijn inwoners werd niet in dank afgenomen door enkele hoge functionarissen in Oostenrijk. Er volgde een stortvloed aan schandalen en processen. Holzfällen werd meteen na druk verboden. Bernhard nam wraak in zijn testament. Oostenrijk zou tot vijftig jaar na zijn dood geen opvoeringen van zijn werk te zien krijgen. Zijn testamentaire wil werd echter niet nageleefd.
Critici bestempelen Thomas Bernhard bijna unaniem als zware kost. Damiaan De Schrijver, die de monoloog opvoert, denkt daar anders over: “Je moet geen bibliotheek lezen om Bernhard te begrijpen, net zoals je geen kunstgeschiedenis moet studeren om Picasso te kunnen appreciëren.” Waar komt die affiniteit tussen De Schrijver en Bernhard vandaan?
De Schrijver: “Nadat ik Bernhard leerde kennen heb ik enorm veel van hem gelezen. Gelukkig zijn bijna al zijn boeken naar het Frans vertaald, want mijn Duits is beneden alle peil (lacht). Bernhard schrijft enorm goed. Zijn taal is zeker niet hermetisch dichtgetimmerd. Ondanks de lange zinsconstructies en het ritme blijft het gewoon spreektaal. Bovendien heb je dat destructieve aspect van hem. Maar als je van sarcastische humor houdt, is ook dat weer smullen.
Veel mensen zien Bernhard als een misantroop. Terecht?
“Dat heb ik altijd een enorm beperkte visie gevonden. Brandhout gaat over zijn kritische houding tegenover de kunstwereld, maar het is meer dan alleen een aanval op die wereld. De verteller, eigenlijk Bernhard zelf, vindt de mensen op het etentje misschien wel kunstuitschot, maar hij beseft goed dat hij veel aan hen te danken heeft. Dankzij hen is hij beginnen lezen en kunst gaan bekijken. Zij hebben voor hem de kunstwereld geopend. Na enkele jaren in het buitenland komt hij die mensen terug tegen. Hij ziet wat er van hen en vooral van zichzelf geworden is. Omdat hij niet in staat is te tonen hoe graag hij die mensen rondom zich ziet, voelt hij vooral veel zelfhaat. De voortdurende stroom van commentaar die hij spuit, komt voort uit liefde. Dat is moeilijk duidelijk te maken. Je kan alleen iets streng beoordelen als je er ook echt van houdt.”
Hoe moeilijk is het om Bernhards stukken over te brengen naar een publiek?
“Ik hoop dat we met onze stukken aantonen dat dat helemaal niet zo moeilijk is. Er zit veel lichtheid en humor in zijn werk, je moet die er alleen weten uit te halen. Het is een zoektocht. Waar zit het licht in de duisternis en waar zit het donkere in het lichte? De vooringenomenheid om altijd maar te denken dat een tekst te zwaar is voor een publiek, is een verschrikkelijke misvatting. Ik heb in de twintig jaar dat ik bij STAN speel nog nooit iets gemaakt waarvan ik denk dat mensen het niet zullen begrijpen. Er is niemand in de kunsten-sector, om een heel lelijk woord te gebruiken, die bezig is zijn publiek af te stoten. Integendeel, wij willen het publiek koesteren en het op een kritische manier overtuigen van de schoonheid van dingen.”
Dat publiek ga jij nu helemaal alleen te lijf. Hoe belangrijk is de interactie met de zaal voor jou?
“Interactie met je publiek is essentieel. Ik zie de theaterzaal als een arena, en ik voel me de toreador of de stier. Het is maar hoe je het bekijkt (lacht). Je merkt het meteen wanneer je woorden goed vallen en je mensen raakt. Dat geeft een enorme drive die je enkel op de planken kan ervaren.”
STAN speelt altijd zonder regisseur. Als jullie met z’n vieren spelen, kunnen jullie elkaar regisseren. Is het bij een monoloog niet ontzettend moeilijk om dat ruggensteuntje te missen?
“Niet echt. Ik word ook nu uitstekend omringd door mijn companen. Ik heb een aantal dromen in mijn hoofd. Soms blijken die te werken, maar even vaak worden ze bijgestuurd en nemen we een collectieve beslissing over hoe het eindresultaat er zal uitzien. Alleen heb ik in dit stuk de eindverantwoordelijkheid omdat ik voor het publiek zal staan. Op dat moment heb ik natuurlijk enkel mezelf om me te behelpen.”
Je brengt na Oude meesters met Brandhout. Een irritatie deel twee in de kunstentrilogie van Bernhard. Mogen we deel drie, Der Untergeher, ook verwachten?
“Er zat twaalf jaar tussen de eerste twee delen en ik ga zeker twaalf jaar wachten om nog eens iets alleen te doen. Dat kan een bewerking van Der Untergeher worden, maar dat is helemaal niet zeker. Het is niet zo simpel om de rechten voor dat stuk te krijgen.Maar Brandhout zal zeker niet mijn laatste Bernhard zijn, tenzij ik straks door het podium zak, natuurlijk.(lacht).”
Dit artikel verscheen oorspronkelijk in de Antwerpse Kleppers- festivalkrant en blog.
|